Af en toe schrijf ik een haiku en nu één die op de website van ‘Wielerpoëzie’ gepubliceerd is.

 

In de geest van het boek ‘Ik maak nooit iets mee’ van Guus Middag :

Garnwerd aan zee

Ik maak nooit iets mee. Maar vorige maand wel. Ik was toen bij Garnwerd aan zee. Dat is een restaurant in Garnwerd dat aan het Reitdiep ligt. De bestelde vis smaakte goed maar ik zag nergens zee. Ik ben nog naar buiten gelopen en heb mijn neus in de lucht gestoken in een poging zoute lucht te ruiken, maar het enige wat ik rook was de mestlucht van de plaatselijke varkensfokkerij.

Van een lekkere zeebries was ook geen sprake. Ik voelde slechts een zuchtje wind dat de wieken van de molen iets verderop niet eens deed bewegen. Ze hadden nog wel een poging gedaan om een strand aan te leggen. Strandgasten waren echter in geen velden of wegen te bekennen. Laat staan Duitsers die kuilen aan het graven waren.

Logisch toch? Wie gaat er nu aan het Reitdiep tien kilometer boven de stad Groningen op een nep strand liggen bij een restaurant dat Garnwerd aan Zee heet. In de entree van het restaurant hingen plastic meeuwen en ik hoorde via de luidspreker geluiden die op krijsende vogels moesten lijken.

Hoe kon het dan dat er toch zo veel mensen naar Garnwerd aan Zee waren gekomen. Bijna alle tafeltjes waren namelijk bezet. Misschien omdat op de website bij het hoofdstukje veelgestelde vragen niets vermeld staat hoe ver Garnwerd van zee af ligt.

Iets verderop is café Hammingh gevestigd. Van vroeger uit al een begrip. Gewoon omdat het een echt café was en de eigenaar Hammingh heette. Hij had de zee niet nodig. Het was er altijd smoordruk. Ik ben daar nog even een kop koffie gaan drinken en dat voelde als thuiskomen. Het was een fantastische dag.

En dan nu nog een gedicht.

De Zee

 

Een moederlijf in haar hangmat, zo ligt zij

te wiegen. Aan haar voeten jaagt in de winter

een eenzame hond. In herfstregens staan lege zielen

te staren naar de verdwenen horizon.

 

Maar de lente is niets dan naderende zomer.

Een vleugje meer licht, meer warmte volstaan

om de eerste nog rillende lichamen los te knopen

en te herdopen in het geruis van de moedertaal.

 

Dan gooit het land zijn wegen en treinen

als uitgeworpen lijnen naar de lokkende rand,

wordt alle vlees leesbaar en onvermijdelijk

naakt in het oog van de zon uitgestald.

 

De zee is de moeder van alle Belgen, de stem

in hun armen en benen, de vlucht in hun ogen,

de vis in hun vel. Spatten mens, altijd dezelfde,

klein en onnozel, en ik een van hen,

 

die ’s nachts, achtergebleven, te luisteren

lig, urenlang, hoe zij nader komt

en ’s ochtends ontwaak tussen de schreeuwende

meeuwen, haar zout op de tong.

Charles Ducal, 31 Juli 2015

 

 

 

 

 

 

 

In de geest van het boek ‘Ik maak nooit iets mee’ van Guus Middag :

 

Ontknoping

Ik maak nooit iets mee. Maar twee weken geleden wel. Er was namelijk een knoop van mijn jas af. De derde van boven, dus wel een hele belangrijke. Ik zocht op de vloer van mijn halletje en in het grind op de oprit, maar hij was spoorloos verdwenen. Dus ben ik maar naar het centrum gefietst. Het was zaterdag en de marktkramen stonden uitgestald. Ik rook de visboer en zag hoe men de vis proefde.

Bij de kraam met fournituren keek ik tussen de duizenden knopen, maar eenzelfde als aan mijn jas was niet te vinden. Ik voelde een enigszins triest gevoel bij mij opkomen en stapte weer op de fiets richting huis. 

Op weg daar naar toe kwam ik langs het kledingreparatiewinkeltje van Seda, een man met zijn wortels in Armenië. Hij had al eens iets voor mij vermaakt en ik had dat toen gehoord. Ik liet hem mijn jas zien en zei dat deze mij dierbaar was omdat hij mij al jaren beschermd had tegen allerlei weersinvloeden. 

Seda liet zijn blik langs de knopen glijden en zag dat de derde van boven ontbrak. Liep vervolgens naar achteren en kwam met een andere jas terug. Hij zei dat dit zijn jas was en dat daarvan de onderste knoop ontbrak. Hij begon te vertellen over zijn vlucht uit Armenië en dat deze jas hem had beschermd tegen kou, wind en regen. De jas was hem dierbaar, de knoop had hij nooit weer gevonden.

Inmiddels waren er twee andere klanten de winkel binnengekomen. Het verhaal werd in de pauzestand gezet, mijn ontbrekende knoop zou hij bestellen. Na vijf dagen kon ik de jas weer op  komen halen. De week er op ging ik weer naar Seda voor de ontknoping van zijn verhaal.

 

 

In het kader van de door mij gevolgde schrijfcursus nu een ‘dinggedicht’.

Een dinggedicht is een vorm van poëzie die de alledaagse voorwerpen, objecten en dingen om ons heen verheft tot het centrale onderwerp van het gedicht. Het draait om het zorgvuldig observeren en beschrijven van deze voorwerpen en het legt de nadruk op de schoonheid en betekenis die schuilgaan achter de schijnbaar gewone dingen.

(bron: woordwijzer.nl)

 

Fietsvriend

Geduldig heb ik staan wachten

om met jou te gaan naar het moment  

waarop wij weer een twee-eenheid zijn

en zorg, zeer en tijd kunnen vergeten

op een voor ons onbekend pad

vergezeld door weinig woorden

 

Rechtlijnig en rond gevormd

karakter mondt uit in het juiste

signaal richting hoofd en benen

Zo klooft mijn wiel de luchtdruk en

voel ik de eerste druppel zout vocht

vanuit beheerste spierkracht ontstaan

 

Zoevend daar in het dal  

verlang ik naar waar de klim 

ons beiden door de stijging

licht laat lijden doch tegelijkertijd

uitzicht geeft op het gevoel dat 

jij straks zweeft van overwinning 

 

Op de top zijn we samen, uitkijkend

hoe wij hier kwamen minder eenzaam

met in ons geheugen gegrift een 

herinnering door dierlijk drift gedreven 

Ik laat jou leunen en op adem komen

zoals steunen is door een echte vriend

 

Ik ben graag jouw fiets, vriend.

Reis naar dichtbij

Ik ben op reis in mijn huis. Zojuist heb ik me in de waterafvoer bij de wasmachine laten glijden zoals je doet in het waterpark bij de camping ergens ver weg. De zwanenhals-bocht is meteen spectaculair en de frisse geur van het wasmiddel tintelt in mijn neus. De afvoer vanuit de cv-ketel doet het water en mijn zicht vertroebelen. Dan gaat het met een haakse bocht zeker twee meter recht naar beneden. De adrenaline spuit door mijn lijf. Bij het T-stuk kies ik voor rechtsaf en voel de haren die via het doucheputje in de buis hangen, in mijn gezicht. De snelheid wordt verder opgevoerd door de achtergebleven zeepresten bij de wastafel en tandpasta zorgt voor vlekken in mijn zwembroek. Weer gaat het stijl naar beneden, maar nu richting keuken. Eerst langs de vaatwasser waar ik afgeremd word door resten aardappel en macaroni van vorige week en vervolgens onder de spoelbak door waar ik mijn ellebogen schuur aan het tuinzand dat bij het handen wassen is bezonken. Opnieuw moet ik een beslissing nemen. Ik ga nu links en vraag mij na de bocht direct af of dit wel de juiste keuze is geweest. Er komt mij namelijk een nogal vieze geur tegemoet en verderop lijkt de buis over te gaan in één met een veel grotere diameter. Tevergeefs probeer ik mijn benen te spreiden om met mijn voeten te remmen tegen de gladde wand van de buis. Met een schok word ik wakker. De aftiteling van de film ‘Downsizing’ is nog net te zien op mijn televisie. Het verhaal over een Noorse professor die ontdekt heeft hoe hij mensen kan verkleinen. Hij was oersaai en ik ben in slaap gevallen. 

Schrijver Guus Middag heeft het boekje met de titel “Ik maak nooit iets mee en andere avonturen“ geschreven. Tijdens de schrijfcursus die ik volgde, kreeg ik de opdracht om in de geest van hem een kort verhaal te schrijven. Elk verhaal eindigt met een gedicht. Hierbij mijn korte verhaal: 

VIJFTIG TINTEN GRIJS

Ik maak nooit iets mee. Maar op een woensdag in november vorig jaar wel. Gerda Marsman geeft dan een lezing over haar fietstocht door Japan. Die dag is het zwaar bewolkt en de lucht kleurt donkergrijs. Het dorpshuis is opgetrokken uit grove grijze stenen uit de jaren tachtig die lijken op ZOAB, maar dan verticaal. 

Ik moet in zaal ‘Duif’ zijn. Bij binnenkomst zie ik achter een tafeltje twee über-vrijwilligers. De mevrouw is beheerder van het geldkistje waar mijn zes euro entree zorgvuldig in opgeborgen wordt en van de man met spencer krijg ik een vaal rood papiertje met nummer zes er op. Hij zet zijn handtekening er op voor voldaan.

Nu heb ik wel vaker lezingen bijgewoond, veelal samen met goed afgetrainde mannen en vrouwen met een gezonde blos op de wangen. Er bekruipt mij een gevoel dat dit een hele andere beleving gaat worden.

Papiertje nummer 59 is namelijk afgegeven en de zaal is gevuld met enkel verveel-bejaarden. De filterkoffie smaakt goed, de natte cake minder. Naast mij heeft een kale man plaatsgenomen met een dot grijs haar uit zijn oor en achter mij hoor ik een gesprek over de buurvrouw die haar heup gebroken heeft en een auto met automaat moet kopen. Ik ruik een geur van 4711 Eau de Cologne. Bij de test van de geluidsinstallatie klinkt een keiharde snerpende pieptoon. Waarschijnlijk moeten alle aanwezige gehoorapparaten gereset worden en de grijze permanentjes lijken iets minder golvend. 

Gerda is beslist geen grijze duif. Ze presenteert als een mengeling van Herman Finkers en Helligen Hendrik in onvervalst Twents. Een ‘stoer wief’, die in plaats van onder de douche in een ijskoude rivier springt. Ik voel een siddering van opwinding door de zaal. 

Vol inspiratie loop ik anderhalf uur later over de onverslijtbare grijze vloerbedekking naar buiten.  

 

En dan nu nog een gedicht:

 

Frontbericht

’k Heb niks gezien vandaag, dat wou ik u nog schrijven:

’k heb heel de dag wat voor het raam gestaan

en niks gezien, ondanks het noestig wrijven

in beide ogen. Toen maar vroeg naar bed gegaan.

Ook moet u weten: ik heb niks gehoord.

Voor uren in een diepe slaap gelegen

en niks gehoord. Zelfs hart en longen zwegen.

Een snik werd in het hoofdkussen gesmoord.

Voor ’t raam en ook in bed heb ’k niks bedacht.

Dat wou ik u al heel lang laten blijken

maar ’k wist niet hóe! Ik miste werkelijk nog de kracht

om naar een potlood of een velletje te reiken.

Hier moet ik ’t voor thans helaas bij laten:

’t gaat nu weer redelijk, ’k ben aardig opgefleurd.

O wél bedankt dat u mij even bij liet praten!

Ik schrijf u weer zodra er niks gebeurt.

Lévi Weemoedt (1948)

Peacenomad

 

Achter de voordeur op de deurmat ligt een envelop met daarop met sierlijke letters mijn naam en adres geschreven. Het is 13 December 2023 en in dit digitale tijdperk waarin het lijkt dat enkel de belastingdienst nog volhardt om op papier en in de bekende blauwe envelop mij de groeten te doen, verrast mij dit. 

Het handschrift komt mij niet bekend voor, rechtsboven in de hoek is een rode postzegel geplakt met daarop ‘Europe’ en onder mijn adres is ‘Pays-Bas’ geschreven. 

Ik pak de envelop van de mat en zie dat op de achterzijde een visitekaartje is geplakt. Nu wordt mij duidelijk van wie deze post afkomstig is. 

Een half jaar eerder…

Het is 15 Juni 2023 rond tien uur ’s avonds. Mijn telefoon gaat en aan de andere kant van de lijn stelt een mevrouw uit Hellendoorn zich voor. Ze vraagt: U verhuurt toch kamers in Nijverdal? Ik antwoord haar bevestigend en ze vervolgt met dat zij een oudere mevrouw met hond ‘min of meer van de straat opgepikt heeft’. De vrouw is op zoek naar onderdak, is al uren aan het ronddwalen in de omgeving en of ik een bed voor haar beschikbaar heb. De belster heeft zelf namelijk geen gelegenheid voor opvang. Ze is bereid om de vrouw met hond naar Nijverdal te brengen in haar auto. 

Als ik vraag de vrouw aan de telefoon te mogen spreken, legt deze met een Belgisch-Frans accent uit dat ze met een wandeltocht bezig is, zij en haar hond inmiddels redelijk uitgeput zijn en ze smeekt mij bijna om de nacht in mijn accommodatie door te mogen brengen.

Ik leg haar uit dat ik geen honden toelaat in de kamers die ik verhuur en dat ik mijn twijfels heb wie ik eventueel in huis haal. 

Niet dat ik helemaal verrast ben omdat ik wel vaker een gast gehad heb die onder noemer Paradijsvogel geplaatst kan worden, maar die had dan wel via de gangbare weg van te voren gereserveerd. 

De vrouw verzekert mij dat haar hond goed opgevoed is en zeker niet voor problemen zal zorgen en omdat ik het zowel voor de vrouw als voor de hond het niet over mijn hart kan verkrijgen om hen de nacht in de openlucht door te laten brengen, spreek ik af dat ze dan maar met hond in het bijgebouw bij mijn woning moet overnachten. Ik heb daar mijn privé mini wielermuseum en heb er een bed staan voor de warme nachten. Het is er namelijk heerlijk koel en mijn collectie maakt het tot een bijzondere plek om te slapen. 

Twintig minuten later stopt een stationcar voor de deur, de bestuurster -de vrouw uit Hellendoorn – stapt uit en van de bijrijderskant komt mij een vrouw tegemoet die ik het beste kan omschrijven als Caroline Ingalls, de moeder uit de televisieserie ‘Little house on the prairie’. Ze is gekleed in een lange rok met daaroverheen een soort van vilten lange jas. Daaronder zelfgebreide kousen en stevige wandelschoenen. Op haar rug een rugzak en in haar handen twee wandelstokken vervaardigd van takken uit het bos. 

Als de achterklep van de auto opengaat, springt er een hond uit van het formaat ‘kalf’ en met een vacht waar een Grizzly beer jaloers op zou zijn. 

Er schiet mij een zinnetje door mijn hoofd die al wel vaker door mijn hoofd geschoten is. 

“Dit heb ik weer”. Maar ja, wie A gezegd heeft moet ook B zeggen. 

De mevrouw uit Hellendoorn heeft in mijn beleving een opgeluchte blik, stapt in en rijdt met gezwinde vaart weg. 

De tot voor kort dakloze stelt zich voor als Christine en peacenomad. En ik denk als nuchtere Groninger, “ ja, dat kan er ook nog wel bij”.

Eerst maar naar de slaapplek. De hond kan volgens Christine wel de nacht vastgebonden in de tuin doorbrengen, maar als zij zich aan het opfrissen is in mijn badkamer, laat die luidkeels horen het daar niet helemaal mee eens te zijn. En daar zijn mijn buren het waarschijnlijk dan weer niet mee eens. Ze heeft de hond een bak eten gegeven waar binnen een mum van tijd tientallen vliegen op af komen, dus dat is ook niet echt een succes. 

De grenzen van mijn comfortzone worden degelijk op de proef gesteld, maar ik weet ze nog wat verder op te rekken. De hond dan ook maar naar binnen en morgenochtend zien wat er over is van mijn met zorg opgebouwde collectie wielerattributen en vintage racefietsen. Tenminste, dat is de gedachte waarmee ik ga slapen. 

De volgende morgen krijg ik een visitekaartje van Christine met daarop onder andere haar website die ze blijkt te hebben. Belangstellend – om het niet nieuwsgierig te noemen – als ik ben, bekijk ik dat direct op mijn laptop en het blijkt dat ze reeds vanaf 1995 met een vredesproject met duidelijk christelijke inslag bezig is. In 2014 is ze gestart met pelgrimstochten en haar ‘7000 kilometer voor vrede’ project, zoals zij dit zelf noemt. 

Bij mij rijst de vraag hoe zij denkt vrede te kunnen bewerkstelligen door haar solo wandeltochten. Tegelijkertijd is het natuurlijk heel mooi dat je als mens de overtuiging hebt dat wel op deze manier denkt te kunnen bereiken en daar vol voor te gaan. Vrede is voor iedereen van onschatbare waarde en Christine draagt op haar manier er een steentje aan bij. Hoe klein haar invloed ook moge zijn. Elke persoon die zij kan overtuigen van de waarde van vrede is er immers één. 

Nadat ze haar dagboek heeft bijgewerkt nemen we afscheid en verdwijnt ze met hond uit mijn zicht.

 Nu dus een haf jaar later ligt er de envelop op mijn deurmat met daarin een kerstkaart. Ook al zijn wij totaal verschillende mensen en had ik zo mijn bedenkingen voor en tijdens haar bezoek, ben ik haar dankbaar voor dit gebaar. Het doet mij goed. 

Christine kondigt op haar website aan dat in 2024 een boek van haar hand zal verschijnen over haar vredesproject. Ik ben benieuwd of en hoe zij haar verblijf in Nijverdal zal beschrijven en zelf heeft beleefd. 

Ik wens Iedereen nu alvast een fijne kerst en voor ieder mens die zich nu in gebieden bevindt waar geen vrede heerst, een zo spoedig mogelijke verandering daarvan. En daar waar op micro niveau ‘vrede’ gesloten kan worden, wens ik dat dat voor een ieder bereikbaar zal zijn.

俳句

Na mijn boodschappen middels de vriendelijk piepende zelfscankassa bij Albert Heijn afgerekend te hebben, loop ik nog even langs het memobord bij de inpaktafel met daarop de veelal zelfgeschreven kaartjes. 

Eén van mijn afwijkingen is om daar altijd even te kijken wat er zoal aangeboden of gevraagd wordt. 

Ik kan me nog een foto op internet herinneren van zo’n kaartje op het bord van een Appie in Groningen, waarop een hamster aangeboden werd. De exacte tekst weet ik mij nu niet precies meer te herinneren, maar het kwam er op neer dat de eigenaresse een zeer dringende oproep deed om haar hamster toch maar zo snel mogelijk op te halen omdat hij haar steeds zo intimiderend aankeek. Ze was er volgens de tekst nogal angstig door en sliep slecht. Ik hoop altijd nog zo’n soort tekst zelf te ontdekken op een van de kaartjes.

Nu zie ik naast het bord een kleine affiche hangen waarmee aandacht gevraagd word voor een schrijvers clubje in mijn woonplaats. Er worden nieuwe leden gezocht en mijn nieuwsgierigheid is gewekt. Besluit mij aan te melden en al snel is de eerste ontmoeting met de bestaande en aspirant leden een feit. Het is een bont gezelschap van mannen en vrouwen, met naar blijkt allerlei verschillende interesses qua schrijven van verhalen en gedichten. Een van de dames schrijft Haiku’s en daar had ik vaag weleens iets over gelezen, maar mij nog nooit verder in verdiept. 

Haiku is een vorm van Japanse dichtkunst, geschreven in drie regels, waarvan de eerste regel 5, de tweede regel 7 en de derde regel weer 5 lettergrepen telt. De klassieke vorm van Haiku kiest over het algemeen de vijf in Japan gangbare seizoenen lente, zomer, herfst, winter en nieuwjaar.

De moderne vorm kan alledaagse onderwerpen behandelen zoals het kroegleven, mode, reizen en bijvoorbeeld…… fietsen! Eens zien of het mij ook lukt om Haiku’s te schrijven…

Haiku 1

 

op mijn stalen ros

fijn fietsend door het leven 

nergens bij stilstaan

 

Haiku 2

 

Mijn fiets is mijn vriend 

heeft weinig woorden nodig 

net als een echte

 

Haiku 3

 

De stang van mijn fiets 

bewijst bergopwaarts afzien 

vol druppels met zweet

 

De dichtvorm is in de 17e eeuw ontstaan en Matsuo Basho is een van de bekendste meesters op dit gebied.

Zijn Haiku”The summer grass” uit 1689 is nog steeds actueel met de oorlogen die nu woeden.

夏草や 兵どもが 夢の跡

Natsukusa ya

Tsuwamonodomo ga

Yume no ato

The grass of summer
And warriors’ dreams
Are all that’s left.

Het gedicht toont golvend gras zwaaiend in een zomerbries en dient als metafoor voor de soldaten die zijn omgekomen. De zinnen ‘Alles wat overblijft van de onmogelijke dromen van soldaten” suggereren dat deze soldaten dromen en ambities hadden die uiteindelijk onhaalbaar waren, waarschijnlijk als gevolg van hun vroegtijdige dood.

Haiku monument ‘The summer grass’

Bij het vertrek laat hij zijn blik nog een keer langs de wanden glijden. We staan in het halletje van mijn woning waar ik mijn bed and breakfast heb en dat volgehangen is met posters en foto’s van vele legendarische wielrenners, ploegleiders en mecaniciens. Namen als Eddy Merckx, Louison Bobet, Fausto Coppi, Joop Zoetemelk en Peter Post zijn maar een paar van de vele gezichten die ons aankijken.

Mijn gast merkt op dat ik wel een echte wielerliefhebber moet zijn en hij vertelt een toneelstuk geschreven te hebben over de befaamde Franse wielrenner Raymond Poulidor. 

Hij geeft mij daarmee een klein inkijkje in zijn leven hetgeen mij intrigeert en inspireert.

Na hem uitgezwaaid te hebben, blijft dat wat hij mij vertelde in mijn hoofd ronddwalen en ik duik in de geschiedenis van Poupou, zoals de liefkozende bijnaam van Raymond Poulidor luidt.

Hij wordt, ondanks zijn 189 overwinningen in belangrijke wielerwedstrijden, ook wel ‘de eeuwige tweede’ genoemd. Deze typering heeft hij te danken aan het feit dat hij drie maal tweede werd in de Tour de France.

Jacques Anquetil, tot dan viervoudig Tourwinnaar en vriend, wist in 1964 zijn vijfde Tourzege met 55 seconden voorsprong op Poulidor op zijn naam te schrijven. 

De legende vertelt dat Anquetil op zijn sterfbed Poupou gezegd zou hebben dat hij nu weer tweede werd door hem te overleven.

Maar dat Poulidor er onder geleden heeft om altijd als tweede gezien te worden, kan niet gezegd worden. Na zijn actieve carrière als wielrenner werd hij ambassadeur van Le Crédit Lyonnais (LCL), nota bene sponsor van de gele trui. Het tricot dat door Poulidor nooit één dag gedragen is in de door hem verreden Rondes van Frankrijk. Hij ontving belangrijke gasten en liet hen met zijn innemende karakter kennis maken met de wereld van het wielrennen tijdens de Tour. Hij was een zeer geliefd en gewaardeerd gastheer. De moedig strijdende underdog, door de Fransen en de gehele wielerwereld omarmd en tot nationale knuffelbeer gemaakt. Hoe de eeuwige tweede een groot winnaar kan zijn.

Poupou was denk ik gelukkig met zijn uiteindelijke overwinning en misschien daarmee wel een uitzondering. In veel gevallen loopt het heel anders. Dan worden er grote offers gebracht om tot een overwinning te komen. In het wielrennen zijn de inspanningen die gedaan moeten worden vaak bij het onmenselijke af. Grote financiële belangen maken het dat renners naar doping grijpen en zich hiermee zelf ten gronde richten. Een van de beroemdste voorbeelden hiervan is 

Tom Simpson, die op de flanken van de Mont Ventoux zijn laatste adem uitblies na het nemen van een cocktail van doping en alcohol. En natuurlijk Lance Armstrong die geen verdere uitleg nodig heeft.

Stef Bos heeft een mooi lied geschreven, waarvan het eerste couplet als volgt luidt;

De winnaar kan alleen nog maar verliezen

De verliezer kan nog dromen van geluk

Ik geloof in het verlangen

En als je krijgt wat je wilt

Is het verlangen stuk

Niet alleen in de topsport maar ook in het dagelijkse leven wordt er veel van je verwacht of verwacht je veel van jezelf. De gedachte komt bij mij op over winst en verlies in het leven.

Ik heb dagen dat ik mezelf als een winnaar voel. Alles lijkt te lukken, ben dankbaar en ik geniet van de wereld om mij heen. Er zijn ook dagen dat ik me realiseer veel verloren te hebben. 

Liefde en vriendschap zijn daarbij wel de belangrijkste zaken. 

Maar tegelijkertijd is het dan zo dat ik als verliezer weer kan gaan dromen van nieuwe liefde, vriendschap en geluk. Dat geeft, ondanks het verdriet van het verlies, weer hoop voor de toekomst.

Door te hoge verwachtingen kun je jezelf ook verliezen. Verwachtingen door anderen, maar ook zelfopgelegde verwachtingen. Daarop loop je uiteindelijk stuk. Het is een doodlopende weg. 

En ik ben het helemaal eens met Stef als hij schrijft:

Nee, ik wil niet de beste zijn

Want de beste zijn is veel te vermoeiend

Ik hoef niet boven op die berg

Laat mij maar hier in het dal tussen de koeien